Meer enthousiasme dan vakkennis

Wat de afgelopen eeuw in de Angelsaksische wereld tot een volwaardig genre uitgroeide, is in de Lage Landen maar amper van de grond gekomen: de memoires van de anti­quaar. Aan De Carbolineum Pers, de private press van Boris Rousseeuw, zal het niet liggen. Op de fondslijst staan verschillende uitgaven over Antwerpse boekbinders en lettergieterijen, en in september verschenen de herinneringen van de Antwerpse antiquaar Hugo Boelaert. Vanwege de omvang van de memoires besloot Rousseeuw de tekst niet met de hand te zetten en te drukken, zoals hij gewoon is te doen, maar koos hij voor hoogwaardige prints op gevergeerd papier. De concessie is begrijpelijk.

Vanuit een maandenlange, met alcohol besprenkelde depressie start Boelaert in 1986 met zijn loopbaan als boekverkoper. Hij verkoopt zijn privécollectie antiek en koopt een grote voorraad boeken bij een veilinghuis in Lier, die hij vervolgens uitpakt in een net verworven winkelpand op de Lange Leemstraat 144b. Hij noemt zijn zaak Joyce Royce, naar zijn lievelingsschrijver en, naar hij had gehoord, de beste automobiel. Boelaert stapt zonder studie of gedegen voorbereiding in een avontuur, zo vertelt hij, maar hij ontwikkelt alras een visie voor zijn zaak. Hij wil zich specialiseren, eigenlijk alleen maar zeldzaamheden aanbieden, en geen ‘peperkoeken middelmaat’. Daarvan moet hij later terugkomen, want een tweedehandsboekwinkel kan nu eenmaal niet zonder gewonere, middelmatige boeken als omzet­ makers.

Voor zijn inkoop verkiest de nieuwkomer de particulieren en de veilingen boven de rommelmarkten, turnzalen en parochie­huizen met hun wel heel brede aanbod. Dat besluit heeft Boelaert veel goeds gebracht. Aspirant­antiquaren zullen verder niet veel tips en trucs in deze Winkelanekdotes vinden. Boelaert geeft weliswaar een welkom lesje ‘Hoe Te Bieden Op De Veiling’, maar meestal laat hij zijn hoogstpersoonlijke opvatting gelden over het voeren van een winkelanti­quariaat. Hij legt bijvoorbeeld wel een boek in de etalage als de verfilming ervan op tv is geweest, maar niet als de auteur ervan net is overleden (‘lijkenpikkerij’). De praktische kant dus, geen boekhistorische terzijdes. Verbijsterend is evenwel te lezen dat Boelaert het hem te koop aangeboden notitie­boekje van Alfons De Ridder (alias Willem Elsschot) afslaat (‘gênante materie met een veel te hoog irrelevant voyeursgehalte’).

Door de jaren heen komt Hugo Boelaert in aanraking met allerlei collega’s in het vak. Zo geeft dit boek ook een schets van de antiquarische wereld van Antwerpen aan het eind van de twintigste eeuw. Leon Sternberg, de joodse antiquaar die in recht gespecialiseerd was, komt een paar keer voorbij, evenals Rob Talboom, en de veilinghuizen Amberes en Bernaerts. Het mooiste van de korte hoofdstukjes in Winkelanekdotes is het roerende en liefdevolle portret van de beste klant van Joyce Royce. In andere hoofdstuk­ken figureren andere klanten: overspannen personen, Kamagurka en Herr Seele, een sadomasochistisch homostel, de filosoof Jaap Kruithof, een nationaal­socialistische jood. Een enkele keer noteert Boelaert de herinnering aan een ontmoeting in zijn winkel zo schitterend dat het wel fictie lijkt. Dat zijn klanten hem bij gelegenheid ook wel raad­plegen als relatieconsulent en rouwverwerkingsbegeleider, gaat hem aan het hart. Sommige personen worden om voor de hand liggende redenen met een initiaal of een X. aangeduid, zoals ook de Utrechtse antiquaren Engberts en Hesselink deden in hun twee gepubliceerde winkeldagboeken.

Boelaerts terzijdes zijn vermakelijk en prikkelend. Vrijmetselarij, schrijft de anti­quaar, is ‘een eigenaardige variant van eso­terie’ en vrijmetselaren kwamen enkel in zijn winkel om te pochen over ‘hoe goedkoop de single malt whiskey in de bar van hun loge was, en hoe het toch beter was dat vrouwen er gemeden werden omdat dat toch maar afleidde’.

Over zichzelf is Boelaert eerlijk, niets­ ontziend. Zo schrijft hij dat hij zelden het bordje ‘Gesloten’ op zijn winkeldeur heeft gehangen, zelfs al had hij ‘tot zes uur ’s och­tends aan één of andere toog liggen wallebakken als een wrattenzwijn’ om aan het begin van de middag ‘half bewusteloos’ in zijn zaak aan te spoelen. Achteraf realiseert hij zich zijn antiquariaat ‘met meer enthousiasme en belezenheid dan vakkennis’ te zijn begon­nen. Hij prijst zich gelukkig ook ‘tekstdokter’ te zijn voor Vlaamse bands die in het Engels willen zingen. Met de opbrengsten van de door hem vertaalde liedteksten van de band Clouseau betaalt hij in 1992 de hypotheek op zijn winkelpand af.

In het Waalse boekendorp Redu wil de Antwerpse boekverkoper op een gegeven moment een filiaal openen. Boelaert en zijn goede vriend zullen dan om en om de winkel in Antwerpen en die in Redu bemannen.

Ik vergat wel even dat Redu gedurende de winter gesloten bleef en dat de amanuensis indien mogelijk nog minder zakelijk inzicht en savoir­faire had dan ik.

Passages als deze (en die over de mislukte galerie) geven de terugblik iets tragikomisch. Op een van de vijf in het boek afgedrukte kleurenfoto’s staat Boelaert, vanaf de stoep gefotografeerd, in zijn winkel met het boek Reflets de la bibliophile en Belgique in zijn hand. Het bord achter zijn winkelruit meldt ‘Totale uitverkoop’.

Amerikaanse antiquaren vullen hun memoires vaak met success stories die de lezer op den duur vermoeien, de ene fantas­ tische vondst na de andere lucratieve ver­ koop. Hugo Boelaert eindigt zijn terugblik in mineur. Na de uitverkoop sluit hij in 2012, door ziekte gedwongen, Joyce Royce. Zijn leven is er niet leuker op geworden. Toch is hij erin geslaagd de herinnering aan zijn zaak niet te laten kleuren door latere tegenspoed. Hij hield van zijn vak. En uit deze anekdotes komt naar voren dat Boelaert mensen belangrijker vindt dan boeken.

Deze bespreking van Hugo Boelaert, Winkelanekdotes. Herinneringen aan antiquariaat Joyce Royce (1986-2012) (2016) verscheen in De Boekenwereld, jrg. 32, afl. 4 (december 2016).

Stoeptegel

Van 8 tot en met 11 februari verzamelen ruim tweehonderd boekkunstenaars, ontwerpers, margedrukkers en bibliofiele uitgeverijen van over de hele wereld zich in Richmond, Californië voor de CODEX International Book Fair. Het is de vijfde keer dat deze tweejaarlijkse beurs, opgezet door drukker Peter Rutledge Koch en papierconservator Susan Filter, in de Verenigde Staten wordt georganiseerd. De beurs valt samen met een tweedaags symposium, met in 2015 als hoofdsprekers Roberto Trujillo en Alberto Manguel. Wie het symposium wil bijwonen, kan beter niet lang wachten met het reserveren van een kaartje op de website (elk jaar uitverkocht). Voor de thuisblijvers zal ook ditmaal een verslag van de beurs in druk verschijnen.

Onder redactie van David Jury en Peter Rutledge Koch verscheen in 2013 Book Art Object 2. Second catalogue of the Codex Foundation biennial international book exhibition and symposium. Deze in elke dimensie flinke catalogus – eerder een stoeptegel dan een baksteen – bevat vijf in 2009 en 2011 gehouden toespraken van bibliothecarissen en drukkers, tien fijne inkijkjes in de studio’s van margedrukkers, en 300 beschrijvingen van bibliofiele boeken van 140 verschillende drukkers of uitgevers. Deze laatste categorie geeft een prachtige doorsnee van wat er de afgelopen vijf jaar wereldwijd aan bibliofiele, gelimiteerde en/of geïllustreerde boeken is verschenen.

Van ‘boek’ wordt hier niet de nauwste definitie gehanteerd: weliswaar komt de vorm van de meeste uitgaven ons zeer vertrouwd voor (leporello, cahiersteek, frontispice, gulden snede), een enkele boekkunstenaar geeft zijn uitgave gestalte met walnotenhouten planken en een bronzen sculptuur, verstopt de tekst in een kist met golvend papier en veel (los!) zand of schuift een miniatuurboekje in de borst van een porseleinen vogel. De kleurfoto’s in Book Art Object 2 – dat zijn er 1133 in totaal – spreken boekdelen. Omdat er zoveel te kijken valt, was een leeslint (of twee) geen overbodige luxe geweest.

Drukkers en vormgevers van eigen bodem worden behandeld in de toespraak van Paul van Capelleveen (‘Changing book: art and the contemporary Dutch private press book’). Ook in de interessante toespraak van Juan Pascoe (‘Presses in Mexico’) komen Nederlanders ter sprake. A.A.M. Stols schreef in Mexico enkele boeken, nam daarvan de typografische verzorging op zich en importeerde in 1962 een vracht lood (de 16-punts Spectrum van de gieterij Enschedé). Stols wordt door Pascoe ‘the patriarch of modern Mexican bookmaking’ genoemd. Beeldend kunstenaar Jan Hendrix, die zich in 1978 definitief in Mexico vestigde, is de andere ‘Dutch bookman’ – al worden zijn uitgaven meestal gezet en gedrukt door Hans van Eijk in het Limburgse dorpje Banholt.

Het is misschien jammer dat de kleurrijke catalogus Book Art Object 2 niet gekoppeld is aan een website, waarop elke CODEX-deelnemer het hele jaar door zijn nieuwe uitgaven kan tonen en beschrijven (en verkopen). Margedrukkers en bibliofiele uitgevers hier te lande hebben zich goed georganiseerd met de website van Stichting Drukwerk in de Marge; een vergelijkbaar initiatief zou de Nederlandse bibliofiel ertoe verleiden eerder en vaker over de grens te kijken. ‘Digital is dead’ is de slogan waarmee CODEX de internationale beurs als ontmoetingsplek en het aanraakbare van het fysieke boek aanprijst, evenwel laten veel boekkunstenaars en drukkers de onbegrensde mogelijkheden van het internet liggen.

Deze bespreking van David Jury en Peter Rutledge Koch (red.), Book Art Object 2. Second catalogue of the Codex Foundation biennial international book exhibition and symposium (2013) verscheen (ingekort) in De Boekenwereld, jrg. 30, afl. 4 (december 2014).

Koffiemelkcupdeksels en bovenkaken

Catawiki bestaat al sinds 2008, maar het afgelopen jaar heeft de internationale veiling- en verzamelwebsite pas een hoge vlucht genomen. Meer dan twee miljoen bezoekers per maand, ruim honderdduizend gebruikers die hun verzameling aan de catalogus van Catawiki hebben toegevoegd, zesentwintig veilingen per week. Verzamelaars van atlassen, oldtimers, stripboeken, fototoestellen, dameshorloges, sportschoenen en koffiemelkcupdeksels wisselen op Catawiki niet alleen informatie met elkaar uit, maar verkopen er ook door henzelf beschreven en gefotografeerde items.

Soms met bizarre opbrengsten als resultaat: een door Drs. P voor het weekblad Panorama geschreven promotieboekje bracht op 30 januari jl. liefst 272 euro op. Bij een traditioneel veilinghuis was deze uitgave ofwel (onbeschreven) in een kavel opgenomen ofwel bij het oud papier beland. De generalist verliest het hier van de specialist, die de verzamelaar immers is.

René Schoenmakers en Marco Jansen, de oprichters van het in Assen gevestigde bedrijf, vonden het wel leuk om bij hun vijfjarig jubileum een tijdschrift te laten verschijnen. Het eerste nummer van Catawiki Magazine (ondertitel: ‘Hét blad over verzamelen’) verscheen in oktober 2013, het tweede lag eind januari op de deurmat. De adviesprijs van een aflevering is € 4,95, maar dat zegt niks: nummer 1 werd gratis verspreid, nummer 2 valt binnen een jaarabonnement van € 1,95. Voor Boormans Wereldtijdschrift hoefden abonnees ook amper te betalen.

Catawiki Magazine gaat over verzamelen, verzamelaars en Catawiki. In het eerste nummer vertelt televisiemaker Valerio Zeno (maat 42) uitvoerig over zijn collectie sneakers: dat zijn er zo’n 120 paar, voor 95 procent van het merk Nike. Fossielenverzamelaar Albert Hoekman laat in het tweede nummer zien wat hij zoal uit Nederlandse netten heeft gevist. Het werd zoveel dat hij er maar in is gaan handelen: ‘Een onderkaak van een mammoet. Zeer geliefd, ik heb er een wachtlijst voor. Een mooie onderkaak kost 2.400 euro. Bovenkaken? Die zijn minder mooi.’

De verkoopsuccessen van Catawiki komen aan bod in rubrieken als ‘Veilingopbrengsten’ en ‘De vondst’. Argeloze burgers vertellen over hun gelukjes, zoals het voor 1 euro opgeduikelde stripje De vrolijke Avonturen van Doris Dobbel (12.000 euro op een Catawiki-veiling) en de als wisselgeld ontvangen euromunt met het 50-eurocentstempel (500 euro dankzij Catawiki). Het zijn de waargebeurde sprookjes waaraan Tussen Kunst & Kitsch haar kijkcijfers dankt. In het gunstigste geval wakkeren ze de jachtlust aan. (Ik heb me weer voorgenomen vaker naar een kringloopwinkel te gaan.)

Hoogtepunt tot dusver is het interview door Vincent van de Vrede met de ‘literaire loodgieter’ Pierre Roth. Stereofoto’s, Paulus de Boskabouter, W.F. Hermans, S. Carmiggelt, Proost Prikkels: Roth verzamelt verzamelingen. Uit het gesprek komt hij naar voren als een aimabele doch wereldvreemde man. In ruil voor een lunch in de bedrijfskantine ordende hij het archief van papierfabriek Proost en Brandt, op de foto staat hij in korte broek en geruite pantoffels. Verrassend is het om te lezen dat Valerio Zeno perfect de verzamelpraktijk kan samenvatten: steeds engere criteria hanteren, aan exemplaarverbetering doen, onderhandelen, het verhaal erachter willen weten. Wat voor boeken geldt, geldt blijkbaar ook voor sneakers.

De vormgeving van het magazine is enigszins amateuristisch. Harde kleuren (Catawiki-blauw), weinig subtiele en nogal opgeblazen lettertypen, onhandige foto’s: zo pretentieloos als het tijdschrift zelf.

Deze bespreking van de eerste twee afleveringen van Catawiki Magazine verscheen in De Boekenwereld, jrg. 30, afl. 2 (juni 2014).

Roest

Een van de allermooiste uitgaven van De Zilverdistel, de private press van J.F. van Royen, is Cheops (1916) van J.H. Leopold. Het boek, gebonden in perkament met voorop het gouden Zilverdistel-vignet door K.P.C. de Bazel, wordt ook tegenwoordig nog gekoesterd door verzamelaars. Zelden komt er een exemplaar op de markt; de enkele exemplaren die het afgelopen decennium te koop werden aangeboden leken zonder uitzondering aan hetzelfde euvel te lijden: kleine roestvlekjes in het binnenwerk. Tot op heden werd dat wel geweten aan de leeftijd van het soort papier, maar uit een recent verschenen brievenuitgave blijkt dat Cheops tachtig jaar geleden ook al roestvlekkig was.

Ser J.L. Prop, margedrukker sinds 1980, heeft in Vijf brieven aan J.F. van Royen alle bekende brieven van de bibliofiele baron Emile van der Borch van Verwolde aan de grondlegger van de Nederlandse private press samengebracht. Vier brieven bevinden zich in de collectie van Museum Meermanno, eentje dook in 2009 op een veiling op en berust sindsdien in de verzameling van een particulier. Prop vulde de noodzakelijke noten in, schreef een verantwoording, zette de tekst met de hand uit de Dante, drukte in zwart en steenrood op ivoorwit Zerkall-Bütten en naaide de vellen zelf in een omslag; alles zeer zorgvuldig en doordacht. De brieven van de baron ademen zuivere bibliofilie, dus moeten zij ook bibliofiel worden uitgegeven, zal het idee van Prop zijn geweest.

In 1932 is Van der Borch van Verwolde rechtenstudent in Leiden, maar zijn briefpapier meldt slechts zijn adellijke afkomst, en in de eerste zin van de eerste brief aan Van Royen presenteert hij zich als ‘verzamelaar van mooie boeken en in het bijzonder van moderne typographische kunst’. Dankzij een legaat van zijn opa kan hij zich helemaal uitleven op eerste drukken in de Nederlandse en Franse letteren, die hij meestal luxueus laat binden door Elias P. van Bommel. De verzamelaar meldt de drukker in zijn eerste schrijven dat hij in het trotse bezit is van een aantal uitgaven van De Zilverdistel en van diens opvolger de Kunera Pers, maar dat pogingen om een exemplaar van Oostersch (1924) van J.H. Leopold te bemachtigen tot nog toe zijn mislukt.

Blijkens de tweede brief is Van der Borch van Verwolde een prospectus van Oostersch toegestuurd met het vriendelijke aanbod om een van ’s drukkers eigen exemplaren hors commerce over te nemen: de baron houdt beheerst de boot af, omdat hij misschien elders een regulier genummerd exemplaar kan kopen. Wel stuurt Van der Borch van Verwolde twee op zijn verzoek door Stols gedrukte uitgaven, in de hoop dat Van Royen hierover zijn licht wil laten schijnen. Dat Van Royen dit wel degelijk doet, valt af te leiden uit de derde brief (er is sprake van ‘een waardeerend oordeel’); al blijft het jammer dat Van Royens brieven niet bewaard zijn gebleven.

De vijf brieven bevatten, naast loftuitingen aan het adres van Van Royen, ook bespiegelingen op Van der Borch van Verwolde’s eigen drukwerk. Over het door John Buckland Wright met naakte vrouwenlijven verluchte boek Dolores (1933), in de brief van 21 september 1933:

De houtsneden in uitgewerkten staat zijn misschien ongelijk van gehalte: eén enkele pagina is schitterend en preferabel boven het oorspronkelijk typografisch zoowel als illustratief aspect, maar ook is in enkele gevallen de houtsnede als silhouette minder als de 1e versie, bijv. waar het noodig was de armen rakelings af te knotten.

Zo’n zin laat zien hoe Van der Borch van Verwolde over het ideale boek dacht. En, in dezelfde brief, over het sjieke papier: ‘afkomstig van een vergeten en jaren geleden geïmporteerde baal antiek japansch; de vergeering is curieus. Toevallig wist Stols deze stapel op den zolder te ontdekken’. Van der Borch van Verwolde’s bescheiden opstelling, zijn charmante volzinnen en wat sublieme muggenzifterij over boeken en banden, van generlei invloed op de wereldvrede, maken de lectuur van deze niet voor publicatie bedoelde brieven de moeite waard.

En dan de brief van 2 mei 1934, het bewijsstuk in de zaak Tijd vs. Roest. In deze brief schrijft de baron aan Van Royen dat hij zijn exemplaar van Cheops in Parijs uit de perkamenten band heeft gehaald om de vellen te laten ‘wassen’: ‘Het is nu lelie-blank geworden, en de kleuren zijn onaangetast gebleven.’ Helaas wordt de methode van wassen niet nader beschreven, maar als het papier met het toen gangbare middel chloor is behandeld, dan mogen we intussen het ergste vrezen. Afgezien van de verrukkelijke geur van papier die chloor elimineert, is het effect, weet elke papierrestaurator, op de lange termijn funest. De huidige eigenaar van dit exemplaar is gewaarschuwd: een onvermijdelijke boemerang komt, op hoge snelheid, naar u toe.

Deze bespreking van W.H.E. van der Borch van Verwolde, Vijf brieven aan J.F. van Royen (2013) verscheen in De Boekenwereld, jrg. 30, afl. 1 (maart 2014).

Papieren zoekmachine

Begin 2012 verscheen de derde editie van deze vraagbaak voor boekengebruikers en bibliofielen: ten opzichte van de vorige uitgave uit 1996 aangevuld met lemmata, gemoderniseerd en voor het eerst rijkelijk geïllustreerd met boeken en prenten uit de collectie van de Koninklijke Bibliotheek te Den Haag. Maar een woordenboek lees je niet, al is het uniek in zijn soort, een woordenboek gebruik je. En hoe recenseer je een lexicon? Daarom: de bevindingen van iemand die dagelijks met boeken werkt en die de neiging om alles te googlen een jaar lang moest onderdrukken.

De papieren zoekmachine van Brongers omvat trefwoorden binnen de onderwerpen schrift, tekst, illustratie, drukken, binden, boekhandel, bibliotheek en biografie. De lemmata zijn meestal kort (zelden langer dan een kolom) en al te technisch taalgebruik wordt vermeden (een boekband ‘zorgt er voor dat het boekblok in de kast niet onderuitzakt’). Wanneer binnen een lemma een ander lemma wordt genoemd, dan wordt dit voorafgegaan door een asterisk. In de praktijk beland je, op zoek naar het ene, algauw bij het andere.

Het lemma ‘Antiquaar’ verwijst, na de eenregelige omschrijving, niet alleen naar ‘Antiquariaat’, maar ook naar ‘84 Charing Cross Road’, het ontroerende boek van Helene Hanff. De belangrijkste lemmata geven nuttige referenties naar standaardwerken en (soms wat obscure) tijdschriftartikelen – iets wat Google niet kan.

Maar je grijpt ook een paar keer mis, vooral waar het personen betreft. Typografisch ontwerper Piet Zwart heeft het Boekwoorden woordenboek gehaald, Paul Schuitema niet. Bibliomaan Boudewijn Büch komt uitgebreid aan bod, maar over de bibliofiel Gerrit Komrij geen woord. Wel Fré Cohen, niet M.C. Escher. Niet André Swertz, wel Max Schumacher (sic).

In de voor deze editie geschreven inleiding gaat Brongers in op nut en plezier van het boek en geeft hij praktische bezwaren tegen e-books, zonder meteen in de bekende bibliofiele stuip te schieten dat alle elektronische en technologische vooruitgang een bedreiging vormt voor het papieren boek. ‘Printing on demand’ en ‘Bookcrossing’ (een recente rage die alweer op zijn retour is) zijn evengoed lemmata.

Als je het boek vaker ter hand neemt, valt je pas op dat Brongers plezier moet hebben gehad in het samenstellen van deze leidraad. Een boekverkopende naamgenoot uit de achttiende eeuw wordt, hoewel van gering belang, om begrijpelijke redenen opgenomen. De boekwoordenwoordenboekenmaker permitteert zich hier en daar een opvoedkundige of kritische noot: bij het lemma ‘Boekenzoekdienst’ merkt hij op dat deze online zoekservice ‘natuurlijk niets meer met geduldig speuren of sneupen’ te maken heeft. Voor de veganisten (onder ‘Stencil’) die vanwege het gebruik van dierlijke gelatine bezwaar maken tegen offset heeft Brongers een scherpe vraag: ‘hoe zit dat met de bijen, die de was voor het stencil leveren en waardoor hun nest vernietigd wordt’?

Een grapje mag ook: ‘Asterisk Lett sterretje: * . Niet Asterix; dit is een populaire gallische *Stripheld’.

Deze bespreking van J. Ayolt Brongers, Boekwoorden woordenboek. Handleiding voor boekensneupers (2011) verscheen in De Boekenwereld, jrg. 29, afl. 4 (juli 2013).

Boekbindster

Ook na lezing van deze toegankelijke en vlot geschreven biografie blijft Meentje Rietema (1919-2005) een klein mysterie. Over deze begenadigde boekbindster is nu eenmaal niet veel te vinden: een gedenkboek van haar oude HBS, enkele krantenknipsels en twee inhoudelijke correspondenties, waaruit Bart de Vries dankbaar citeert.

Tijdens haar schooljaren in Groningen werd al duidelijk dat de creatieve Rietema voorbestemd was een opleiding handboekbinden te volgen. Helaas werd het boekbindatelier, dat ze na de oorlog met haar vriendin Henny Berkemeier in Amsterdam opzette, een fiasco: Nederlandse bibliofielen namen vaak genoegen met een industrieel, al dan niet luxe, gebonden boek. En het behalen van de tweede prijs in een prestigieuze boekbandwedstrijd in 1951, achteraf Rietema’s finest hour, leverde niet de gewenste bindopdrachten op. Alleen de bescheiden bibliofiel H.W. Bosscha toonde belangstelling: de vier boekbanden die Rietema voor hem vervaardigde, stuk voor stuk van uitzonderlijke kwaliteit, worden beschreven en getoond in het tweede deel van dit boek.

Bij elkaar heeft De Vries negen luxe banden van Rietema weten te traceren. Dat er een nummer tien aan haar oeuvre kan worden toegevoegd is louter wishful thinking. Meentje Rietema werkte als een Middeleeuwse monnik: teruggetrokken, zonder winstoogmerk, zonder haar banden te merken of signeren. De band zelf, het abstracte ontwerp en de fijnzinnige uitvoering, is bij Rietema de handtekening.

Deze bespreking van Bart de Vries, Meentje Rietema, boekbindster (2012) verscheen in De Boekenwereld, jrg. 29, afl. 4 (juli 2013).

Boekenuil

Een paar maanden geleden vond ik in een antiquariaat een Duitse editie van de Rubáiyát van Omar Khayyám, vertaald door Hector G. Preconi en uitgegeven door Rascher & Cie in 1911. Het onopvallende boekje was opgesierd door een ingeplakt ex libris: een zwart-wit tekening van een mannenkop met een geabstraheerde boekenuil en de tekst ‘het is de aarde die drijft en rolt door de mensen’. De Nederlandse Rubáiyát-vertaler J.A. Vooren was de vorige eigenaar. Een leuke provenance.

Het fascinerende ex libris is niet gesigneerd, maar dankzij Lucebert, drukwerk voor anderen weet ik nu wie de maker is: Lucebert. De tekstregel is afkomstig uit diens gedicht ‘moore’ uit de bundel apocrief/de analphabetische naam (1952).

Paul van Capelleveen geeft in dit boek nauwkeurige beschrijvingen van advertenties, affiches, boekillustraties, cartoons, omslagontwerpen en vignetten die Lucebert om den brode of op verzoek van uitgevers en vrienden maakte. De bibliograaf baseert zich op de collecties van woordenboekenmaker Ton den Boon en vormgever Huug Schipper, de verzamelaars die Luceberts ‘drukwerk voor anderen’ nu weleens degelijk geïnventariseerd wilden zien.

De bibliografie is in meer dan een opzicht aantrekkelijk. Naast de feitelijke beschrijvingen (vindplaats, techniek, afmeting) worden flarden achtergrondinformatie gegeven, zoals citaten uit de mémoires van uitgever Wim Schouten en (niet eerder gepubliceerde) brieven van Lucebert. Omdat de citaten in rood zijn gedrukt, springen ze meteen in het oog: ik betrapte mezelf erop eerst de rode lappen te lezen, en daarna pas te zien over welke illustratie het gaat. Alle illustraties zijn overigens afgebeeld, de mooiste in een kleurenkatern. Pas dan wordt duidelijk dat Luceberts illustraties voor tamelijk uiteenlopende auteurs en tijdschriften zijn gebruikt. Omslagen voor boeken van bevriende Vijftigers als Kouwenaar en Schierbeek staan tussen die voor de traditionele werken van Halbo C. Kool en Clare Lennart.

Maar dat zo’n experimenteel als Lucebert zoiets bedaagds als een ex libris heeft ontworpen, had ik ook niet voor mogelijk gehouden.

Deze bespreking van Paul van Capelleveen, Lucebert, drukwerk voor anderen (2012) verscheen in De Boekenwereld, jrg. 29, afl. 1 (oktober 2012).

In samenwerking met de auteur

In de Nederlandse literatuur komt het maar zelden voor dat een auteur en een typograaf samen een boek maken. De typograaf verschijnt doorgaans op het toneel als de auteur zijn tekst lang en breed heeft geschreven. Omstreeks 1929 vatten de auteur Ben Stroman en de typograaf Paul Schuitema het plan op een boek te maken, waarbij typografie en tekst een onverbrekelijke eenheid zouden vormen. Avond na avond zaten de mannen op Schuitema’s Rotterdamse zolder te passen en te meten, op zoek naar de ideale verhouding tussen woord en beeld. De reacties op Stad (1932) waren wisselend. Stroman zou in zijn autobiografie Vandaag bestaat niet (1981) terugblikken op een maar ten dele geslaagd project: ‘Voor mij is het na meer dan vijftig jaar weinig meer dan een album met vergeelde prentbriefkaarten, soms verrassende stadsgezichten.’

Auteur Bert Schierbeek, een van de vijf Vijftigers, en typograaf Han de Vries zagen in de geschiedenis van Stad geen afschrikwekkend voorbeeld. Zij maakten in 1952 voor De Bezige Bij gezamenlijk de andere namen. Schierbeek: ‘Er ontstond een wisselwerking, een wederzijde beïnvloeding. We zochten samen de lettertypes uit en discussieerden daar langdurig over.’ De Vries: ‘Omdat de tekst meer als poëzie dan als proza is te beschouwen, vroeg ik hem [= Schierbeek] die helemaal voor te lezen, waarbij ik uitgaande van de klank; verhalend, lyrisch, betogend, stemverheffingen, pauzes e.d. de typografie bepaalde.’

Deze citaten komen uit de ‘persoonlijke en onvolledige bibliografie’ van de andere namen. Voor grafisch ontwerper Michaël Snitker is het boek een belangrijke referentie. Toen hij op een dag bemerkte 13 exemplaren van de andere namen in de kast te hebben staan, besloot hij alle mogelijke teksten over de andere namen chronologisch te bundelen. Behalve de te verwachten recensies, juryrapporten, interviews bevat trilvensters en onderkasttypografie technische gegevens, correspondenties en drukgeschiedenissen. Gevolgd door een eigenzinnige lijst ‘sleutelwoorden’ en ‘stemmen’, eindigend met het vereerde studieobject zelf: band en binnenwerk van de eerste druk van de andere namen op postzegelformaat.

Interessant is te zien hoe Schierbeek in de loop der tijd, in gesprek met verschillende journalisten, de betekenis van zijn tweede boek duidt. Tamelijk ontluisterend zijn de kwesties rondom de herdrukken van de andere namen, in 1965 als Zwart Beertje, in 1974 als deel in de Bij-reeks. In het eerste geval werd de belangrijke steunkleur rood niet gebruikt en een andere ontwerper aangetrokken om de vormgeving van de eerste druk (min of meer) te volgen. In het tweede geval veranderde De Bezige Bij de mededeling bij ‘Typografie Han de Vries’ van ‘(in samenwerking met de auteur)’ in ‘(naar aanwijzing van de auteur)’. De boze brieven van De Vries, hierdoor uitgelokt, zijn onverkort afgedrukt.

In zijn vormgeving is Snitker, ongetwijfeld geïnspireerd, onconventioneel aan de slag gegaan. Zijn bibliografie heeft geen titelpagina, het colofon staat op de achterflap, de literatuurlijst op het omslag. trilvensters en onderkasttypografie is een begeesterd boek en een visitekaartje voor de vormgever, de drukkerijen Lenoirschuring en Calff & Meischke, en de papierleverancier Proost & Brandt.

Deze bespreking van Michaël Snitker, trilvensters en onderkasttypografie: een persoonlijke en onvolledige bibliografie van de andere namen (2011) verscheen in De Boekenwereld, jrg. 28, afl. 5 (juli 2012).

Mijn druk ophemelen

Onafhankelijk van elkaar raken de Vlaamse sierkunstenaar Julius de Praetere (1879-1947) en de Nederlandse uitgever Lambertus Jacobus Veen (1863-1919) rond 1900 in de ban van de nieuwe boekdecoratie. De een schaft zichzelf een handpers aan, de ander begint met wat familiekapitaal een eigen uitgeverij, maar beide heren streven hetzelfde na: mooie boeken maken in de stijl van art nouveau.

‘Denk s.v.p. om de dikte van den rug van het boek, m.a.w. dat de teekening van den rug in evenredigheid is met [de] werkelijke dikte van het boek.’ Dit schrijft Veen op 4 maart 1901 aan De Praetere, bij de overname van 150 exemplaren van de tweede druk van Streuvels’ Lenteleven. Iedereen die weleens een ingenaaid boek uit het fin de siècle in handen heeft gehad, weet hoe nauw het kijkt. Het is het begin van een zakelijke correspondentie, die krap drie jaar later doodbloedt. De Praetere laat zijn ambities dan maar varen. Veen en De Praetere mogen danwel hun boekenliefde delen, de uitgever is de kunstenaar in zakelijk opzicht de baas.

De Praetere giet zijn structurele tekort aan geld soms in mooie, wanhopige zinnen. De titel van deze uitgave is ontleend aan een brief van 25 maart 1903: ‘ik heb aan die zaak van prachtdrukken te veel geld verloren. Zoudt Ge niet denken dat nu, dat er een tiental tijdschriften mijn druk ophemelen, mijne biographie vragen, enz. het tijd wordt wat te rusten… langs geldelijken kant, vooral wanneer men kapitalist is zooals ik!!!’ Intussen buit Veen zijn positie als uitgever uit: hij schakelt boekhandelaren in Antwerpen en Gent in om de inkoopprijs van een door De Praetere gedrukt boek te drukken. Nederland-België: 1-0.

De briefwisseling is voortreffelijk uitgegeven door De Carbolineum Pers: alle 178 pagina’s zijn door Boris Rousseeuw met de hand gezet uit de loden letter Goudy Old Style. Ter illustratie zijn dertien originele kleurenfoto’s ingeplakt, boekbanden van De Praetere, briefkaarten van Veen. De editie is iets minder voortreffelijk. Ondanks 95 eindnoten blijft de lezer met enkele vragen zitten. In de transcriptie van een enkele brief is een foutje geslopen. Erg storend is dat overigens niet.

Deze bespreking van Die zaak van prachtdrukken. De briefwisseling tussen Julius de Praetere en L.J. Veen bezorgd door H.T.M. Van Vliet (2011) verscheen in De Boekenwereld, jrg. 28, afl. 4 (mei 2012).

Latere staat

Kenners weten waar ze moeten zijn als ze ‘Ort62’ of ‘vdB62’ in een voetnoot bij de beschrijving van een topografische kaart van ’s werelds eerste atlasmaker lezen. Ze zullen onmiddellijk naar het door Marcel van den Broecke vervaardigde naslagwerk over de kaarten van Ortelius grijpen. Omdat de eerste druk van Ortelius Atlas Maps uit 1996 al even uitverkocht was, vroeg uitgever Bas Hesselink de auteur of een herdruk kon worden gemaakt. Van den Broecke maakte van de gelegenheid gebruik om zijn geïllustreerde gids uit te breiden met recentelijk ontdekte kaarten, bijgewerkte verwijzingen en referenties, en vertalingen van de Latijnse titels.

Vanaf de verschijning in 1570 was de Theatrum Orbis Terrarum van de vooraanstaande Antwerpse boek- en prenthandelaar Abraham Ortelius (1527-1598) een inslaand succes. Hoewel de monumentale wereldatlas een van de duurste boeken van het moment was, gingen er tot 1641 zo’n 8225 exemplaren over de toonbank, in niet minder dan 32 edities. Zo kreeg de wereld steeds meer kleur.

Van den Broecke demonstreert dat de edities onderling nogal verschillen: de kwaliteit van de gravures ging door het vele herdrukken achteruit en door de toenemende geografische kennis moesten de koperplaten waarvan de kaarten werden gedrukt worden vervangen of bijgewerkt. Deze gids laat per kaart zien op welke plek in welke editie van de Theatrum zij voorkomt, en in welk opzicht een latere staat van eerdere staten afwijkt. Meestal zijn het de bijschriften die werden aangepast, soms de decoratieve randen. Een enkele keer gaat de droge opsomming van platen, oplagen en staten tot de verbeelding spreken, als de zee opeens heftiger en ruwer gegraveerd blijkt te zijn. Of als een illustratief fregat niet meer met bolle zeilen voor de wind vaart, maar aan de wind, met het achtersteven naar de kijker toe.

Zoals het verboden is om zelfs maar naar een tweede druk van Elsschots Kaas te kijken zonder Wilma Schuhmachers bibliografie te raadplegen, zo is het ongeoorloofd om een kaart uit Ortelius’ Theatrum Orbis Terrarum te bestuderen zonder een blik te werpen in Ortelius Atlas Maps. Een goed naslagwerk maakt zich onmisbaar, en dat is wat Marcel van den Broecke heeft gedaan.

Deze bespreking van Marcel van den Broecke, Ortelius Atlas Maps. An illustrated Guide. Second revised edition (2011) verscheen in De Boekenwereld, jrg. 28, afl. 1 (oktober 2011).

Uit de schaduw

Bij Wim Gielen begon het met Nieuwe avonturen van de vos Reinaert, dat hij als zevenjarig jochie ter herinnering aan de eerste communie ontving. Wolbert Vroom kreeg voor zijn eindexamen een ordeboekje uit 1694 van zijn grootmoeder. En Geert Jan Bierenga liet zich als scholier inspireren door Het schoone boek van Menno Jaarsma bij zijn zoektochten naar leren ruggen en perkamenten bandjes.

Ze worden met naam en toenaam genoemd, 62 van de ongeveer 150 leden van het Nederlands Genootschap van Bibliofielen die in het schitterende boek Uit de schaduw aan bod komen. Wat lid Piet Buijnsters in zijn Geschiedenis van de Nederlandse bibliofilie niet voor mogelijk hield, is dan toch geschied: het Genootschap treedt naar buiten. In deze kleurrijke jubileumuitgave presenteren leden van het gesloten gezelschap stukken uit hun collectie, welke soms paginagroot zijn afgebeeld, en leggen ze uit welke bijzondere betekenis juist die band, tekst of typografie voor hen heeft.

Uit de schaduw is ingedeeld in zes hoofdstukken, even zoveel er ‘duidelijk aanwijsbare’ verzamelmotieven zijn, door de redactie van dit boek uit de opgetekende verhalen geabstraheerd: ‘esthetisch genot’, ‘het boek als object’, ‘gereedschap’, ‘levensbeschouwing’, ‘nostalgie’ en ‘hoeders van het verleden’. De leden moesten kiezen welk motief het meest op hun verzamelwoede van toepassing was. Hoewel deze indeling gevoelsmatig wel klopt, en die gevoelens in de ‘methodische verantwoording’ achterin nog worden beredeneerd, blijft het onduidelijk waarom dit stramien moest worden toegepast. Wat zegt het dat 31 van de 62 leden zichzelf scharen onder ‘het boek als object’ tegenover de twee eenlingen onder de motieven ‘levensbeschouwing’ en ‘nostalgie’? Het zegt alleen iets over hoe de leden zichzelf zien. In enkele gevallen zijn motief en verhaal niet te rijmen: Baukje Scheppink maakt toch geen kunstenaarsboeken, opdat ze er vervolgens een collectie secundaire literatuur over kan aanleggen, zoals haar motief voorschrijft?

Die twijfelachtige indeling heeft grafisch ontwerper Hansje van Halem overigens bijzonder fraai vormgegeven: elk hoofdstuk heeft het kader in een andere steunkleur, tot en met de sneden aan toe. Alle steunkleuren komen terug in het feestelijke bandontwerp. En alleen De Buitenkant is het gegeven om twee royale leeslinten in precies dezelfde kleur te krijgen als de steunkleur van het hoofdstuk waar het lint zachtjes het katern binnenkomt. Bravo!

Het is intrigerend, herkenbaar, leerzaam en soms amusant hoe de bibliofielen hun passie met veel deskundigheid onder woorden brengen. Als er al iets gemeenschappelijks aan hun verhalen te ontdekken valt, dan is het wel de precisie waarmee gebeurtenissen, jaartallen, herkomsten, papiersoorten en (cultuur)historische achtergronden worden verteld. (Hebt u ooit een bibliofiel met een vlek op zijn stropdas gezien? Dat dacht ik al.)

Geert Jan Bierenga heeft inmiddels 400 in de Nederlanden gedrukte Bijbels op de plank staan. Wolbert Vroom reist de hele wereld over om architectuurboeken uit de periode 1485-1750 te bemachtigen. En Wim Gielen is tot de laatste dag voor zijn dood in 2010 op zoek geweest naar een waardige aanvulling voor zijn museale collectie Van den vos Reynaerde.

Deze bespreking van Edwin Bloemsaat (red.), Uit de schaduw. Twintig jaar Nederlands Genootschap van Bibliofielen (2011) verscheen in De Boekenwereld, jrg. 28, afl. 1 (oktober 2011).

‘Vrienden’

Wie rond 1600 een brief wilde sturen naar de Leidse hoogleraar Bonaventura Vulcanius (1538-1614) hoefde niet meer dan ‘Monsieur Vulcanius, Leiden’ op de voorzijde van zijn gevouwen vel te schrijven. De humanist Vulcanius, geboren De Smet, had in heel Europa naam gemaakt als bibliothecaris, leraar en vertaler. Zijn faam en zijn netwerk staan centraal in deze rijk geïllustreerde catalogus bij de gelijknamige tentoonstelling, die tot eind 2010 in de Universiteitsbibliotheek Leiden te zien was.

Titel en opzet van dit boek wekken aanvankelijk argwaan, want wordt het verhaal van een stoffige geleerde hier niet gewoon opgeleukt door de virtuele gemeenschap Facebook er bij te slepen? Maar de eerste pagina’s van Cazes’ voortreffelijke inleiding overtuigen: vanuit deze originele invalshoek krijgt Vulcanius weer glans. Op Facebook, zoveel is paradoxaal genoeg duidelijk, laat niemand zijn ware gezicht zien: met scherpe opmerkingen, vernuftige grapjes, verwijzingen naar films, boeken en muziek bouw je op Facebook je publieke imago op. Hoe succesvoller je wordt, hoe vaker je ‘vrienden’ op het duimpje-omhoog klikken, ten teken dat ze je ‘status’ waarderen. Populariteit is hier een sneeuwbal: hoe meer duimpjes-omhoog, hoe meer ‘vrienden’ in je lijst, want niemand sluit zichzelf graag uit.

Bonaventura Vulcanius vond zijn eigen Facebook uit: hij ging rond met zijn alba amicorum. Deze vriendenboeken zijn de meest publieke uitingen van zijn persoonlijke netwerk. De constellatie van handtekeningen, herinneringen en motto’s (neergepend door beroemde tijdgenoten als Dousa, Lipsius, Ortelius en Scaliger) suggereert zoveel vriendschap en loyaliteit… Maar ook hier geldt: hoe meer ‘vrienden’ in het album, hoe groter de kans dat een volgende ‘vriend’ zijn handtekening zal zetten, want de eer om je naam aan die van een toenemend aantal geleerde namen te verbinden is groot. Wat is Facebook, wat is Vulcanius’ album amicorum meer dan een wall of fame?

Met enig raffinement legde Vulcanius testamentair vast dat zijn papieren bezit moest worden bewaard. In 1587 verkocht de humanist al voor 354 gulden aan boeken aan de net opgerichte Universiteit Leiden, aldus een handgeschreven inventaris. Ondanks deze erfenis blijft Vulcanius ongrijpbaar: de historicus ziet zich geplaatst voor een muur van spiegels, geconfronteerd met tegenstrijdige uitspraken van Vulcanius’ tijdgenoten. Humanist in navolging van zijn vaders oude vriend Erasmus, katholiek te Keulen, calvinist in bewondering voor Beza, strijder tegen de Spanjaarden: hij was het allemaal.

De ruim vijftig tentoongestelde boeken en manuscripten worden in dit boek ter zake toegelicht, niet gespeend van enige anekdotiek. Zo blijkt zijn talenknobbel het eind van de Tachtigjarige Oorlog te hebben bespoedigd: Vulcanius onderschepte en ontcijferde gecodeerde brieven van het front aan de Koning van Spanje. In 1577 lukte het hem zelfs om een valse, gecodeerde brief op te stellen waarin de Spaanse bezetter werd geadviseerd Breda te verlaten. De vele haarscherpe afbeeldingen van titelpagina’s, lofdichten en brieven zorgen voor plezierige lectuur.

De plaatjes tonen overigens ook de onverschilligheid waarmee Leidse bibliothecarissen in de loop der eeuwen hun stempel op deze belangrijke collectie wilden drukken. Letterlijk: blauwe cirkels inkt duiken op binnen de fijne lijnen van een gravure, een handgeschreven opdracht van Vulcanius aan Dousa in een Leidse editie uit 1594 heeft de vettige afdruk van het stempel ‘ACAD LVGD’. Daar maak je tegenwoordig geen ‘vrienden’ meer mee.

Deze bespreking van Hélène Cazes, Kasper van Ommen (red.), Facebook in the Sixteenth Century? The Humanist and Networker Bonaventura Vulcanius (2010) verscheen in De Boekenwereld, jrg. 28, afl. 1 (oktober 2011).

Ik vul brieven met poëtisch afval

Het zijn altijd provincialen die de wereld willen veroveren. Koos Schuur verruilt in 1942 het verre Veendam (Groningen) voor Amsterdam, waar hij een jaar later Jan G. Elburg ontmoet, want die wilde weg uit Wemeldinge (Zeeland). Oorlog of niet, ze voeren in het café lange gesprekken over poëzie. Schuur en Elburg leggen elkaar gedichten voor van Gorter en Leopold, van Auden en Mallarmé, en natuurlijk van Schuur en Elburg. Ze publiceren clandestien hun eerste gedichten en delen hun afkeer van het literaire klimaat (‘journalistiek op rijm’, aldus Schuur in 1979). Inleidende beschietingen voor de kleine revolutie die de Vijftigers zouden afdraaien.

De dichters blijven hun leven lang bevriend. Hun briefwisseling uit de jaren 1943-1992 is nu gebundeld en ingeleid door Siem Bakker. Het is een intrigerend boek bomvol poëzie. Poëzie? Ja, vooral het associatieve, allitererende brievenproza van Koos Schuur is aanstekelijk. De eerste twee zinnen van deze recensie heb ik tien minuten herkauwd, omdat ik met die w’s en v’s wilde spelen. Elburg kan ook leuk uit de hoek komen, bijvoorbeeld met een brief in quasi-Middelnederlands gesteld, maar Schuur is superieur. Eerst lijkt zijn proza nog een beetje spielerei, gewoon wat voor de vuist weg tikken, doorspekt met zinnetjes op meta-niveau, maar in de loop van 1951 gaat Schuur zijn post schrijven zoals hij ook zijn poëzie schrijft, in een rage. Vergelijk dit fragment uit een brief van 24 mei

Nu moet ik weer een papieren brief schrijven, zodat het geen brief is, maar alleen een bewijs van aanhankelijkheid en goede orde. Nu moet ik weer schoutenschieten en dielsdempen en mikemaken en lucebertlopen en gerritgokken en elburg uitvoerig aanduiden als de ontvanger der indirecte belastingen kantoor geopend van 9-5 en lotte lieve lotte laas lijsje lopen. […] Nee, Koos, je moet nou eens een gewone brief schrijven, waarin alles staat. Ook het zand in de morgen. Ook het zand in de avond. En de zieke maan. Pacifieke maan; melancholiese hond.

en dit fragment uit een brief van 17 juni

Om ten gronde te gaan zou ik een ander land hebben gekozen. En een ander publiek. Een publiek met beschavingsmoeheid, een teveel. Nu had ik je eigenlijk willen schrijven, wat mij dwarszit en foltert; maar ik ben verkeerd begonnen en nu moet ik in deze trein blijven zitten.

met

Wil je iedereen zeggen, dat ik brieven nodig heb, oekazen, dreigbrieven, redelijkheidsbetuigingen, galpillen, zenuwtabletten, arithmetische ademhalingsoefeningen, klisteerspuiten; en ook band-aid voor mijn duim die ik in de cirkelzaag heb laten glijden. Ik ben te weinig mechanisch ingesteld. Vandaar. Het is moeilijk ademhalen in eenzaamheid. Bitter is het leven, bitter is de dood. […] Medelijden is een oorlogsvloot voor de kust. Ik moet niet denken. Haat zijn kleine witte bloemen langs de weg. Onmacht is de maan. […] Ik vul brieven met poëtisch afval. Ik ben een punt van redelijkheid in een chaos van niets.

en

maar ik ben verbaal een beetje uit het lood. ik ben een one-man-europe, ein echter gruebler en steek daardoor te zeer af bij de australiërs. twee ruiterinnen rijden langs mijn huis. ze zijn zeer jong en goed gekleed en goed gevormd als hun paarden… THIS IS THE GREAT TRAGEDY OF KOOSSCHUUR – Second Act – First scene. Back curtain and side curtains are wine red. […] en daarom zoek ik altijd iets en moet ik wachten op… op rust, op een huis, op een kamer, op een god-weet-wat en een god-weet-waar. en daarom moet ik zeggen: eer mij niet want ik heb geen eerbied voor mijzelf.

Hier is het ernst. Geen geregisseerde ontsporing, geen woordgrapjes, the real thing. Koos Schuur is net geëmigreerd naar Australië. Zijn vrouw verlaat hem. Hij moet de kost verdienen als timmerman om voor zijn kinderen zorgen, hij belandt in een isolement, in een crisis, in een writer’s block. ‘Waarom zou ik nog versjes schrijven? Ik ben nog niet helemaal Koosschuur.’ Hoe slechter Schuur eraan toe is, hoe beter zijn brieven. In de bibliografie van Koos Schuur zit een groot gat: in zijn Australische jaren verschijnen er geen bundels van zijn hand. Met de pen waar hij gedichten mee had kunnen schrijven, schrijft hij zijn brieven aan Elburg, waarin hij er lustig op los citeert (van Geerten Gossaaert tot een liedje dat hij op de radio hoorde). Ik heb gisteren meteen En de Kookaburra lacht… besteld, de selectie die Elburg en Salvador Hertog in 1953 maakten uit de brieven van Schuur.

Naast alle virtuositeit zijn er natuurlijk verhaaltjes en gebeurtenissen. Binnenbranden, dronkenschappen, roddels, wandeltochten, ziekenhuisopnamen. Vooral Elburg kan zijn klein geluk soms niet op. Maar de brieven geven geen mooi kijkje in de keuken van Vijftig (Elburgs eigen literatuurgeschiedenis Geen letterheren doet dat beter) en laten ook niet zien, zoals wel gesuggereerd is, hoe literair Groningen er voor de oorlog uit zag (A. Marja is een voetnoot op pagina 51). Als de brieven al iets onthullen, dan is dat het existentialisme van Koos Schuur en de huiskamerproblematiek van Jan G. Elburg. Schuur als arme emigrant, Elburg als weldoorvoed docent aan de Rietveld Academie. Ik heb me, tijdens het lezen, soms een beetje over hun vriendschap verbaasd.

Deze bespreking van Koos Schuur en Jan G. Elburg, Een halve eeuw vriendschap. Twee Vijftigers in brieven 1943-1992. Bezorgd door Siem Bakker (2012) verscheen eerder op Tzum.

Sold Out

De filosoof en dichter Ralph Waldo Emerson was des duivels toen hij zijn brief aan Walt Whitman, vol complimenten over diens juist verschenen meesterwerk, integraal herdrukt zag in de tweede druk van Leaves of Grass. Dat was nooit de bedoeling geweest. De onbekende Whitman liet één zin uit de brief van zijn alom geprezen collega zelfs op de rug van het boek drukken. ‘I greet you at the beginning of a great career’ waren de vergulde woorden. Betere reclame kon hij anno 1856 niet hebben.

Read Me staat vol met dergelijke promotiestunts van schrijvers en uitgevers. Dwight Garner selecteerde meer dan 300 boekadvertenties uit kranten, tijdschriften en vakbladen uit de vorige, reeds vergelende eeuw. Na de inleiding, waarin de ontwikkeling van de boekadvertentie van 1647 tot heden wordt geschetst, volgen tien hoofdstukken met aansprekende voorbeelden. Per decennium vat Garner kort samen wat de trends en noviteiten waren. Omstreeks 1925 doet het auteursportret zijn intrede: een stoere Hemingway op ski’s prijst de roman A Farewell to Arms aan. Twintig jaar later lijkt de boekadvertentie meer op een encyclopedie: persstemmen alleen voldoen al niet meer. Blurb, voorpublicatie, auteursprofiel komen erbij, zelfs een schematisch overzicht van personages. De opmaak wordt ook steeds drukker.

Uitgevers willen prikkelen. Een enkeling is zo overtuigd van het meesterwerk uit zijn fonds dat hij in de advertentie simpelweg een keer of vijf de titel herhaalt: Kiplings roman Kim spat in 1901 zo van de pagina. Daarboven ziet de lezer de stimulerende mededeling ‘Ready Tuesday’ staan. En wie zich op dinsdag niet naar de boekhandel spoedde, krijgt op woensdag al het gevoel ingeprent iets te missen als hij het boek niet alsnog koopt. O, de eerste druk is nu al ‘Sold Out’!

Vanaf 1980 komt de klad er een beetje in, schrijft Garner. Van experiment en vernieuwing is geen sprake meer in boekadvertenties. De reclame voor Dreams from my father van ene B. Obama in 1995 had evengoed in 1950 in de krant kunnen staan. Deze inwisselbaarheid wordt versterkt door de kwaliteit van de illustraties in Read Me: het lijken wel oude fotokopieën. Maar misschien is ook dit marketing, en wilde HarperCollins het boek bewust een vintage randje geven. Het wachten is nu op de Nederlandse tegenhanger, waarin creatievelingen en copycats van eigen bodem worden getoond, van de ongeëvenaarde alliteraties van de Rotterdamse uitgever D. Bolle tot de blonde sproetenmeisjes die ’s zomers alle literaire bestsellers sieren.

Deze bespreking van Dwight Garner, Read Me. A Century of Classic American Book Advertisements (2009) verscheen in De Boekenwereld, jrg. 27, afl. 2 (december 2010).

Van Permafrost tot Bad Luck

Het is steeds moeilijker voor te stellen, maar er is een tijd geweest dat A.L. Snijders nog een onbekende Nederlander was. Hij had geen batterij van 1000 lezers, hij stond niet met een paginagrote foto in de weekendbijlage, hij schoof niet aan bij Matthijs van Nieuwkerk, laat staan dat hij een avondlang in de spotlights van de Amsterdamse cultuurtempel De Balie werd gezet. A.L. Snijders was nog nooit de ‘meester van het eenharig penseel’ genoemd, hij gaf Nederlandse les en schreef gewoon stukjes voor Het Parool. Onder de kleine schare bewonderaars van het eerste uur was ook Marius Zeven. In het prachtig vormgegeven boek Meer dan een bibliografie van A.L. Snijders haalt hij A.L. Snijders uit de schaduw van zijn vroege jaren.

Dit boek is inderdaad meer dan een bibliografie. Het is een korte biografie, een liber amicorum, een bundel verspreide bijdragen van A.L. Snijders en een geïllustreerde bibliografie ineen. Marius Zeven lukt het in zijn biografische schets van Peter Müller (die A.L. Snijders werd) om de vele her en der gestrooide, soms gemystificeerde autobiografietjes van de schrijver tot een samenhangend verhaal te maken, met data en straatnamen. Op de volgende vijftig bladzijden halen vrienden, familieleden en collega-auteurs herinneringen aan de schrijver op.

Een vrolijke boel. Zoon Marcus Müller heeft twee fraaie anekdotes over zijn ouders en laat meteen zien dat hij een zoon van zijn vader is, want zijn bijdrage aan Meer dan is even kort als onnavertelbaar. Jaap Scholten bekent liefdevol dat hij zonder A.L. Snijders nooit was gaan schrijven: hij kreeg ‘militant onderricht in zuivere taal’ en leerde welke schrijvers in de categorie ‘dameskapper’ vielen. Sommige stukken, zoals Erik Nieuwenhuis’ ‘Claim to fame’ en Hanneke Groentemans bakvishistorie, kende ik al – toch zijn ze op hun plaats in dit boek.

Met de bijdrage van L.H. Wiener is iets aan de hand. Zijn ‘Proficiat als profetie’ blijkt een eerdere, sterk afwijkende versie te zijn van de lofrede op de Constantijn Huygensprijswinnaar 2010, zoals deze is gebundeld in Jan Campert-Stichting Jaarboek 2010. Wieners worsteling met zijn tekst (‘ik schrijf niet graag over vriendschappen’) komt mooi naar voren in de eerste alinea’s, die later dus zijn gesneuveld. De vulpen hapert, maar niet door een gebrek aan inkt.

Uit zijn archief koos Marius Zeven 22 al dan niet geweigerde NRC-columns, echt verzonden brieven, niet eerder gebundelde zkv’s en een zlv (zeer lang verhaal) dat Snijders in 1995 aan het tijdschrift Schrijver & Caravan afstond. Vertederend, excusez le mot, is het briefje dat Peter Müller in de postvakjes van zijn collega’s op de Lochemse politieschool De Cloese stopte. Een winterkoninkje heeft een nest gebouwd in het fietsenhok: ‘ik loop op mijn tenen en start de motorfiets een eindje verderop. Namens het vogeltje vraag ik jou hetzelfde te doen’.

En dan de bibliografie, die dit boek niet opent maar afsluit. Marius Zeven heeft niets overgeslagen: Snijders’ eigen boeken, diens bijdragen aan verhalenbundels en bloemlezingen, zelfs de verspreide bijdragen aan bladen als Permafrost, Tijdschrift Humanistisch Verbond en Vrijstaat Austerlitz. Nu heb ik genoeg bibliografieën onder ogen gehad om dit geen volwaardige bibliografie te noemen. Het is een heel handige en beknopte checklist voor verzamelaars van A.L. Snijders, tevens een eye-opener voor lezers die dachten dat Bidinald zijn eerste boek was, meer toch niet. Daarvoor ontbreekt te veel basisinformatie, zoals het formaat van een boek, maar ook de paginanummers van een verspreide bijdrage: ‘(lang verhaal)’ geeft immers amper een indruk van de omvang van een tekst. De bibliograaf moet een boek zo beschrijven dat de lezer het praktisch kan uittekenen. Gelukkig wordt de lezer in dit geval enigszins gecompenseerd: de omslagen van alle handelsuitgaven en bibliofiele edities zijn in de juiste verhoudingen afgebeeld op de binnenzijde van het omslag.

In zijn precisie is Marius Zeven misschien te selectief geweest. Hij maakt melding van de speciale boekenlegger die AFdH aan vijftig exemplaren van de derde druk van Bidinald toevoegde, maar verzuimt de paarse buikband te noemen die leden van het Willem Elsschot Genootschap in 2010 om hun exemplaar van Bordeaux met ijs aantroffen. De fascinerende afdeling ‘Aangekondigde, maar nooit verschenen boeken’ staat bol van de citaten over de spooknovelle Bad Luck, maar over bindproblemen bij de eerste druk van Vijf bijlen, met een afgekeurde oplage en mondjesmate verspreiding tot gevolg, lees ik niets. Door bij zoveel mogelijk titels de dag van verschijnen te noemen, in plaats van de gebruikelijke maand van verschijnen, heeft Zeven het zichzelf moeilijk gemaakt. Wanneer verschijnt een boek? Is dat wanneer de schrijver voor het eerst een exemplaar in handen houdt? Wanneer er een stapel in de boekhandel ligt? Of tijdens een feestelijke presentatie? Zo zouden de eerste en tweede druk van Een handige dromer op 15 november 2010 zijn verschenen; ik kocht mijn exemplaar van de tweede druk twee dagen daarvoor.

Ik weet het, ik ben een pietlut.

Hoe prijzenswaardig het ook is om in eigen beheer 600 exemplaren van een boek te laten vormgeven en drukken, een extra redactieronde was niet overbodig geweest: nom de plume was dan op alle plekken correct gespeld, net als de voornaam van journaliste Jellie Brouwer. En Een behouden prullenmand was dan geen door Martien Frijns vormgegeven jaarwisselingsaffiche geworden, maar de eenvoudige antiquariaatscatalogus die in twee edities verscheen, met een voorwoord van A.L. Snijders. Waardoor hij eigenlijk in een andere afdeling had moeten staan en niet tussen ‘Bibliofiele uitgaven’.

Deze bespreking van Marius Zeven, Meer dan een bibliografie van A.L. Snijders (2011) verscheen eerder op Tzum.